6 tips om lesmateriaal aan te passen aan het niveau van de student

6 tips om lesmateriaal aan te passen aan het niveau van de student

Vlieg je hoog over of leg je contact met je studenten? Het taalgebruik in het onderwijs blijkt vaak te ingewikkeld. Het niveau ligt te hoog. Hoe komt dat? Nogal wat studenten starten hun mbo-opleiding met een beheersing van de Nederlandse taal op een te laag niveau. Terwijl ze zouden moeten zitten op een leesniveau van 2F, brengen ze feitelijk niet veel meer mee dan 1F. Dat is vergelijkbaar met het niveau eind basisschool, begin voortgezet onderwijs. En studenten voor wie het Nederlands niet de moedertaal is, scoren daar vaak nog onder. Met andere woorden: voor je het weet, vlieg je als schrijver (maar ook als spreker) van studieteksten hoog, heel hoog over. Zes tips om in contact te blijven met je studenten.

1. Mik op 2F

2F is vergelijkbaar met het taalgebruik in bijvoorbeeld de gratis krant Metro: voor de meeste mensen te begrijpen maar geen Jip-en-Janneke. Van nature spreken en schrijven docenten voor hun studenten vaak op niveau 3F: één niveau lager dan hun eigen niveau. Dat is dus minstens nog een niveau te hoog. Om te testen waar je met je geschreven teksten ongeveer zit, bestaat er een handige tool op internet waarmee je een idee krijgt van het leesniveau van je tekst. De tool maakt overigens gebruik van de ERK-classificering waarbij 2F vergelijkbaar is met het B1-niveau van ERK en 3F met B2.

Overheid
Overigens maakt de overheid het wat dit betreft wel heel erg bont: 75% van de informatie biedt ze aan op maar liefst 4F, terwijl het gros van de Nederlanders leest op 2F en 3F.

2. Leg nieuwe begrippen direct uit

Zodra je een nieuw begrip introduceert, creëer je als schrijver een vraag. Namelijk: wat is dat? Beantwoord die vraag direct, anders moet de lezer verder met een hiaat, met iets wat hij niet kent. Dat vertraagt de verwerking en bemoeilijkt het begrip. Zorg er bij je uitleg ook voor dat je geen nieuwe vragen oproept door zo concreet en precies mogelijk te zijn. Het volgende zinnetje bijvoorbeeld roept meer vragen op dan het beantwoordt:

Sommige soorten bacteriën vormen bij slechte omstandigheden een stevig kapsel om zich heen.

Welke omstandigheden zijn slecht? Hitte, kou, zuur, zout? En wat is een stevig kapsel? Gaat het over haar ofzo?

3. Beperk opsommingen

Hoewel opsommingen doorgaans het overzicht bevorderen, kunnen ze ook het zicht op de zaak ontnemen. Eenvoudig omdat de opsomming of te veel of te lange elementen bevat. Ons werkgeheugen kan maar vijf of zes elementen tegelijk vasthouden. En dat maar heel kort. Benoem dus alleen kort de hoofdzaken in de opsomming. Beperk je tot maximaal vijf elementen. Bijzaken behandel je in de toelichting in gewone zinnen.

4. Doe één mededeling per zin

Hoe meer mededelingen je in een zin stopt, hoe zwaarder je het werkgeheugen belast. Afzonderlijk zijn de mededelingen meestal beter te begrijpen. Vergelijk:

Perssinaasappelen zijn bedoeld om sap uit te persen en zijn door de taaie vellen minder geschikt om in stukjes te eten.

Perssinaasappelen zijn bedoeld om sap uit te persen. Ze zijn door de taaie vellen minder geschikt om in stukjes te eten.

 

5. Zorg voor duidelijke verbanden

Verwijzingen moeten ondubbelzinnig zijn.

Hij gaat met zijn broer logeren bij zijn vader en oom. Hij moet namelijk een belangrijke voetbalwedstrijd fluiten en daar willen ze bij zijn.

Wie zijn ‘hij’ en ‘ze’?

Goed gebruik van verbindingswoorden (signaalwoorden) maakt het verband expliciet. Zo voorkom je ook dat je ongemerkt denkstappen overslaat. Denk aan: maar, toch, echter, daarom, immers, eerst, vervolgens, kortom, dus.

6. Zorg voor logica en structuur

Studieteksten zijn geen betogen met steevast een inleiding, middenstuk en slot. Toch is een duidelijke en logische opbouw onontbeerlijk voor een goede verwerking. Een duidelijk bouwplan doet wonderen. Maak je tekstblokken niet langer dan zo’n 100-150 woorden en beperk je tot de hoofdzaken. Je schrijft geen literatuur. Houd het dus neutraal en zakelijk. Zet boven elk tekstblok een kop die de inhoud goed weergeeft. Samen maken ze het bouwplan van je tekst snel duidelijk.

Dit artikel is onderdeel van de SPECIAL: Zelf lesmateriaal ontwikkelen

Jan Westenbroek

Jan Westenbroek was jarenlang docent Nederlands in het mbo, decaan en adjunct-directeur, auteur van een drietal methodes voor het mbo en bijna 15 jaar actief als educatief uitgever. Tegenwoordig houdt hij zich bezig met de ontwikkeling van arrangementen en on- en offline methodeconcepten en ondersteunt hij uitgevers en directie van Edu'Actief met onderwijskundig advies.

0 reacties

Nog geen reacties

Reageer als eerste.

Reageer